Korte verhalen

2018-12-08/01

DE OERKNAL


door Annemarie Fernhout


Tien voor negen. Meneer van Bemmelen stond op die gedenkwaardige ochtend even stil  in de hal van zijn huis. In zijn hand had hij de brief die hij zojuist geschreven had. Hij stopte hem in zijn vestzak. Een telefoontje kwam binnen op het antwoordapparaat. Vanuit de woonkamer hoorde hij de stem van zijn predikant: ‘Bruno, ik weet niet zeker of ik dit verzoek al aan je kan voorleggen, maar wij zoeken iemand die ons kan helpen met de Bijbelstudiegroep. Het is maar voor twee keer…’.  Verder had hij niet geluisterd.


Een snelle blik naar buiten leerde hem dat de  voorspelde zware regenbuien vooralsnog uitbleven. Toch gooide hij voor de zekerheid zijn korte regenjas over zijn ene arm en pakte hij met de andere hand  zijn paraplu. Hij was nu eenmaal een voorzichtig mens. ‘Risicomijdend’, heette dat tegenwoordig. Op weg naar buiten zag hij in de spiegel een glimp van een man op leeftijd met een verzorgd grijs kapsel en dito korte baard. ‘gepensioneerde docent gaat uit’, dacht hij, met iets van zelfspot, ‘een duidelijk geval van ‘typecasting’.


Eenmaal buiten, zette hij de pas erin. Het was tien minuten lopen en hij wilde er om negen uur zijn.  Achter zich hoorde hij een rollend geluid. Even keek hij om. Een jonge vrouw in spijkerbroek en windjack, naderde met een afvalcontainer. Hij herkende haar aan de wapperende rode krullen. Maaike van Leeuwen, een vroegere leerling. Ze woonde iets verderop. Ze was allang getrouwd en zou nu dus wel anders heten. Altijd vrolijk, altijd aardig.  Voor haar bleef hij altijd  ‘meneer van Bemmelen van Wiskunde’.


‘Hé meneer Van Bemmelen, moet uw bak niet naar buiten?’

Hij schudde ontkennend zijn hoofd.  Beter van niet. Met een korte groet liep hij door. Even later fietste ze hem voorbij. Ze zwaaide nog even over haar schouder.

Hij liep de straat uit en liet de punt van de paraplu ritmisch met zijn stappen meetikken.

Zijn vrouw had nooit begrepen waarom hij zo aan die ouderwetse plu gehecht was. Zij vond het een groot, zwaar onding. Maar het was bijna een familiestuk; nog van zijn vader geweest. Niet stuk te krijgen vanwege de dikke, fraai gelakte hardhouten steel en het zware benen handvat.

De korte gedachte aan zijn vrouw raakte een open zenuw. Direct beleefde hij weer het drama van negen weken geleden.


Frederique en hij kwamen die avond uit de bioscoop. Ze waren naar een film geweest die zij graag wilde zien. Voor de gelegenheid had zij een paar elegante, nieuwe schoenen aangedaan. Zij liepen,  nog druk pratend over de verhaallijn,  over de gladde stoeptegels. Plotsklaps gleed zij uit en sloeg met een harde klap achterover. Nog voor hij haar kon opvangen lag ze bewegingsloos op straat en hij zag, hoe de rode kleur van bloed zich mengde  met haar korte, blonde haar.

Van wat er daarna gebeurde, herinnerde hij zich slechts flarden:

…de toevallig passerende jonge vrouw die bleef staan en de leiding nam: ‘houdt u de hand van uw vrouw maar vast, ik bel een ambulance. Doorlopen mensen, het is geen voorstelling!’;

…de mannen van de traumahelikopter die snel ter plekke waren om hun werk te doen;

…de arts in het ziekenhuis, die zwijgend zijn hoofd schudde.


Hij wist nog hoe Sophia huilend tegen zijn schouder leunde en snikte dat ze geen moeder meer had.

‘Je hebt Maarten toch nog, had hij  dommig geprobeerd, en Joep en Jasmijn..’, het sloeg nergens op.

Vervolgens was er de vloedgolf van kaarten, telefoontjes en e-mails van al die mensen die van  Frederique hadden gehouden.

‘Zo’n schat van een vrouw.’, want dat was ze.

Gelovig ook, net als hij, maar met een warmere beleving.


Hij herinnerde zich de vruchteloze bezoeken van hun predikant: ‘Ik begrijp deze dingen ook niet, Bruno. We staan biddend om je heen! Zoek in ieder geval steun bij God!’

Steun bij God zoeken!

Ja, ja! Hij had vier meter aan theologieboeken op de kast staan.

Kon zo weg.

Mijn VROUW is dood, man! Waar  praat je over?


Twee weken later bezocht hij de huisarts. ‘Dokter, ik  slaap niet meer. Ik ben doodmoe.’ Hij kreeg slaappillen. ‘Kijk uit, meneer van Bemmelen, dit zijn geen snoepjes. Ik geef u een recept voor 15 dagen!’ 


Sophia zocht hem iedere dag op, meestal met Joep en Jasmijn, zijn geweldige kleinkinderen. Ook gistermiddag nog, toen hij net aan het stofzuigen was.

‘Gaat u deze zomer weer mee kamperen, opa? Dan gaan we weer patatjes eten in de kantine. Dat was altijd leuk hè, opa?’

Hij had afhoudend gereageerd.

‘Ach jongens, we zullen wel zien!’


‘Gaat het weer beter met je, pap?’, vroeg zijn dochter. ‘Ik vind je de laatste dagen veel vrolijker dan eerst. Je bent druk aan het schoonmaken hè? Ik zie dat nu al een paar dagen. Man, wat een opruimwoede!’


Twee voor negen. Daar was het winkelcentrum.

De eerste winkel die hij passeerde was Juwelier Croonenberg. Tot zijn verbazing zag hij dat Maaike bezig was met het openen van de rolluiken. Hij hield even in.

‘Hee, hallo, ik wist niet dat jij hier werkt!’

‘Al ruim drie jaar hoor!’


Vanaf dat moment voltrokken de gebeurtenissen zich razendsnel. Een scooter stopte. Drie jongens met  shawls voor hun gezicht sprongen er af en duwden hen beiden door de winkeldeur.

‘Naar binnen en rustig!’, siste de leider, die een pistool  in zijn hand had.  De juwelier stond lijkwit in een hoek van zijn zaak. De andere twee overvallers begonnen met koevoeten de vitrines te bewerken. Maaike verloor alle controle en begon hysterisch te gillen. Hierdoor raakte één van de jongens in paniek.

‘Hou je bek bitch, ik maak je dóód hoor!’,  schreeuwde hij met overslaande stem en meneer Van Bemmelen,  zag hoe hij  zijn koevoet dreigend naar haar ophief.

Naar  zijn leerling.

Zijn leerling!

En  dat werd de trigger.


Een blinde razernij  greep hem aan en in een fractie van een seconde explodeerde het giftige mengsel van opgekropte woede, dat zich zo langzaam in hem had opgebouwd  in de oerknal waarmee hij het benen handvat van zijn paraplu op het hoofd van de jongen liet neerkomen. Die zakte bewusteloos in elkaar. Het voelde geweldig.

Maar op datzelfde moment ontmoette hij de blik van de man met het pistool. Die aarzelde niet en schoot.

Het licht ging uit.


Stilte! Duisternis!


De stem van Joep: ‘Opa, we gaan toch weer kamperen en patatjes eten?’

Het kon niet meer. Teveel duisternis. Het was te laat.


Weer een stem:

‘Bruno, ik weet dat mijn verzoek misschien een beetje vroeg komt, maar zou je toch willen meehelpen met onze studiegroep?’


Te laat. Te laat.


Hoelang was het donker?

Lang!

Een oneindige duisternis.


En toen…


LICHT!


En weer een stem…


Of was het een geluid..?


Of waren het misschien alleen Woorden…?


Maar nooit eerder had hij  zoveel Liefde in Woorden gevoeld.


‘Neem Mijn juk op en kom achter Mij. Want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht!’


Toen Meneer van Bemmelen zich overgaf aan deze woorden, ervoer hij hoe een kalme, transformerende vrede bezit nam van zijn wezen….


Rust


Iemand hield zijn hand vast.


Toen hij  voorzichtig  zijn ogen opende, zag hij dat het Sophia was.


..’Ben je wakker…?   

Je bent in het ziekenhuis. Maar alles is goed hoor.’, zei ze zacht.

‘Weet je nog, van die overval? Je was heel dapper hoor, gekkie.

..Je bent geopereerd.

Je was getroffen door twee kogels, je hebt vier uur op de operatietafel gelegen. Maar je komt er weer helemaal bovenop.  Waarschijnlijk zonder restschade. 

De dokter noemde het een Godswonder….


..De jongen die jij hebt neergeslagen zit vast. Van de andere twee weten ze de namen. Die krijgen ze wel.

..Waarom was je daar eigenlijk, in het winkelcentrum?’


‘Ik was op weg naar de apotheek voor mijn slaappillen.’,  fluisterde hij moeizaam.

Het betrof zijn derde vervolgrecept…


Een week later, tien voor negen.


Meneer van Bemmelen loopt  weer op straat, zijn regenjasje over de arm. De lucht was weer betrokken. Vaag realiseerde hij zich, dat hij snel een nieuwe paraplu moest kopen. Hij liep nog een beetje onzeker.   

Een dag eerder was hij uit het ziekenhuis ontslagen. Voordat hij zijn huis was binnen gestapt, had hij de afscheidsbrief aan Sophia  uit zijn vestzak gehaald en verscheurd. De snippers had hij in de afvalcontainer gegooid. Die zat tjokvol en moest nodig geleegd worden.


Opnieuw was hij op weg naar de apotheek voor het laatste doosje slaappillen. Als hij straks thuis kwam, zou hij ze door de wc spoelen, net zoals hij gistermiddag met de andere volle doosjes gedaan had. Hij had er geen plannen meer mee.


Het zachte juk dat hij had opgenomen stuurde hem in een andere richting.  Voor de komende zomer betekende dat:  kamperen en patatjes eten met Joep en Jasmijn. Die gedachte gaf hem nu een prettig gevoel.  Hij wilde straks ook zijn predikant bellen om te vragen of zijn hulp nog nodig was.

Er viel nog ontzettend veel te verwerken; hij wás er nog niet. Nog lang niet. Maar toch wist Meneer Van Bemmelen zeker, volkomen  zeker,  dat zijn bestaan weer vorm zou krijgen.

Hij had bijgetekend.